Schurende perspectieven: wat we leerden in acht Communities of Practice
In deze blog beschrijven Marcel Spierts en Femke Kaulingfreks wat er gebeurt als je sociaal werkers, betrokkenen van grassroots bewonersinitiatieven, beleidsmakers en onderzoekers acht keer bij elkaar brengt, telkens op een andere plek – zonder strak omlijnd programma, maar met een gedeelde zoektocht.
Wat gebeurt er als je sociaal werkers, betrokkenen van grassroots bewonersinitiatieven, beleidsmakers en onderzoekers acht keer bij elkaar brengt, telkens op een andere plek – zonder strak omlijnd programma, maar met een gedeelde zoektocht? Binnen onderzoekslijn 2 van Crafting Resilience organiseerden we de afgelopen onderzoeksperiode acht bijeenkomsten in de vorm van een Community of Practice (CoP), steeds met een andere partner als host. In deze onderzoekslijn staat de vraag centraal hoe sociaal professionals opereren in de complexe machtsrelaties tussen groepen burgers en de overheid. Hoe bemiddelen zij tussen de belangen van de gemeenschappen waar zij mee werken, de belangen van hun eigen organisatie en van het sociaal werk in algemene zin, en de belangen van de overheid als opdrachtgever? Tijdens de CoP bijeenkomsten bracht de hostorganisatie steeds een dilemma in dat te maken heeft met dit vraagstuk. Aan de hand van concrete casuïstiek van sociaal werkers gingen de aanwezigen met elkaar in gesprek. Zij lieten elk vanuit hun eigen perspectief licht schijnen op de mogelijkheden en uitdagingen om vanuit het sociaal werk bij te dragen aan rechtvaardiger staat-burgerrelaties. Wat we organiseerden, bleek al snel méér dan een serie bijeenkomsten. Het werd een zoektocht naar hoe sociaal werk zich vandaag de dag verhoudt tot vragen van collectiviteit, politisering en rechtvaardigheid.
Een ruimte zonder vaste vorm
Een Community of Practice (CoP) is een groep mensen die een gemeenschappelijke interesse of expertise delen en samenkomen om kennis, ervaringen en goede praktijken uit te wisselen. Binnen zo’n community werken deelnemers actief samen om hun vaardigheden te verdiepen, innovatieve oplossingen te ontwikkelen voor uitdagingen waar ze in hun werkpraktijk mee te maken krijgen, en om elkaar te ondersteunen in het bereiken van specifieke veranderdoelen. Een CoP kan daarmee professionele groei stimuleren. Wat een CoP onderscheidt van andere vormen van samenwerking, is het praktijkgerichte karakter en het feit dat deelnemers allemaal een expertise of werkgebied delen.
De CoP bijeenkomsten die wij organiseerden passen niet helemaal in deze beschrijving. De deelnemers hadden een interesse in en betrokkenheid bij collectiviserende vormen van sociaal werk gemeen, maar hadden ook verschillende professionele rollen en verschillende posities in het krachtenveld waarin het Nederlandse sociaal domein wordt vormgegeven. Tijdens de CoP bijeenkomsten gingen uitvoerend opbouwwerkers uit buurtteams bijvoorbeeld in gesprek met beleidsadviseurs van ministeries of gemeentes en onderzoekers van HBO lectoraten. We brachten bewust deze verschillende perspectieven en posities bij elkaar omdat politiserend werken in het sociaal domein gaat over de mogelijkheden om door verticale machtsrelaties heen bij te dragen aan de invloed van burgers op hun eigen leefomgeving en de beleidsbeslissingen die hen aangaan. Hoe kun je vanuit verschillende posities met meer en minder beslismacht bijdragen aan het verkleinen van de afstand tussen de alledaagse ervaringen van gemeenschappen en beleidskaders? De CoP bijeenkomsten werden een plek waar deze vraag tastbaar en voelbaar werd. Tegelijkertijd riepen de verschillende posities die de aanwezigen innamen ook onzekerheid op. Wanneer “werkt” een uitwisseling over dilemma’s die met machtsongelijkheid te maken hebben? En voor wie? Regelmatig kwamen we in de gesprekken tot de conclusie dat de ervaringskennis van bewoners en de professionele kennis van sociaal werkers maar beperkt gewicht in de schaal leggen als het gaat om het aanpassen van beleidskaders. We zagen tegelijkertijd dat een open gesprek over hoe lastig het is om gedeelde ambities en sociale kernwaarden te realiseren in een context van verschillende posities en belangen bij elke bijeenkomst waardevol bleek voor alle deelnemers. Die openheid bleek niet zozeer een probleem, maar juist betekenisvol. Want ze weerspiegelt de praktijk van sociaal werk zelf: werken in situaties waarin doelen en rollen niet vastliggen, en waar verschillende perspectieven samenkomen – en soms schuren.
Tussen de logica’s van beleid en praktijk
In vrijwel elke CoP bijeenkomst dook dezelfde spanning op: die tussen beleid en praktijk. Aan de ene kant de beleidslogica van verantwoording, aanbesteding en risicobeheersing. Aan de andere kant de praktijklogica van vertrouwen, nabijheid, informele relaties en doen wat nodig is. Sociaal werkorganisaties concurreren regelmatig met elkaar om beperkte financiering in aanbestedingstrajecten, waarbij een kwantitatieve verantwoording wordt gevraagd van aantallen activiteiten en deelnemers. Uitvoerend opbouwwerkers en jongerenwerkers zijn in hun alledaagse werkpraktijk bezig met het opbouwen van vertrouwensrelaties met gemeenschappen op manieren die niet zo makkelijk te kwantificeren zijn. Daar komt bij dat landelijke politieke keuzes soms botsen met de lokale praktijk en haaks staan op de kernwaarden van het sociaal werk, zoals het bijdragen aan inclusie en rechtvaardigheid. Bijvoorbeeld als hulp aan mensen zonder verblijfsstatus in de landelijke politiek als onwenselijk wordt gezien terwijl op gemeentelijk niveau duidelijk wordt hoe onmisbaar deze hulp is. Dit soort tegenstellingen laten zich niet eenvoudig oplossen. In de gesprekken werd duidelijk hoe sociaal werkers voortdurend schakelen en onderhandelen tussen beide logica’s. Soms strategisch, soms intuïtief, vaak onder druk. In die dagelijkse praktijk wordt politisering tastbaar. Niet als abstract debat, maar als een reeks kleine keuzes: wanneer volg je de regels, en wanneer wijk je ervan af? Wanneer bescherm je een community tegen systeemdruk? En wanneer zoek je juist de confrontatie?
Collectiviteit als vertrekpunt
Een van de sterkste lijnen in de bijeenkomsten was het denken en werken vanuit collectiviteit. Dat begon vaak bij concrete ervaringen. In verschillende praktijken werd niet gesproken over “doelgroepen”, maar over community, of zelfs family. Mensen zijn geen cliënten, maar mede-eigenaren van wat er gebeurt. Collectiviteit groeit uit langdurige relaties, vertrouwen en gedeelde ervaringen. Tegelijk roept dit vragen op. Wat betekent dit voor de rol van de professional in relatie tot informele grassroots initiatieven? Hoe verhoudt het eigenaarschap van gemeenschappen zich tot de institutionele verantwoordelijkheid van de overheid? Bij een CoP bijeenkomst over jongerenwerk werd duidelijk hoe ver nabijheid kan gaan. Een jongerenwerker vertelde over jongeren met wie het contact niet ophoudt bij het einde van de werkdag. Hij gaat mee naar de rechtbank, is soms aanwezig bij een bevalling en helpt een jongere die voor school nog snel thuis moet douchen. “Waarom mag dit eigenlijk niet?”, werd tijdens de bijeenkomst gevraagd. Tegelijkertijd werd erkend dat zulke nabijheid ook risico's kent. Waar ligt de grens tussen betrokkenheid en overbelasting, en onder welke voorwaarden en omstandigheden kan informele nabijheid professioneel handelen versterken? Een casus in een CoP bijeenkomst over buurtsamenwerking liet nog een andere kant zien van die zoektocht naar een eerlijke verhouding tussen collectief eigenaarschap en institutionele verantwoordelijkheid. Bewoners namen zelf het initiatief om meer te leren over onbegrepen gedrag in hun buurt. De bewonersorganisatie stapte vervolgens naar de gemeente voor ondersteuning en organiseerde samen met een hoogleraar en een trainingsacteur een eerste inhoudelijke bijeenkomst. Die bleek succesvol en leidde tot nog drie trainingen en uiteindelijk zelfs tot trainingen voor kinderen. Vervolgens nam de gemeente het initiatief over en raakten de bewoners buiten beeld. De bewoners bleven achter met het gevoel dat het initiatief hun was afgenomen.
Politisering van alledag
Politisering was overal aanwezig, ook als het niet zo werd benoemd. In discussies over aanbestedingen, over erkenning van informele praktijken, en over wie toegang heeft tot middelen en wie als ‘professioneel’ wordt gezien. In frustratie over systemen die wantrouwen organiseren, en in het zoeken naar ruimte daarbinnen. Daarbij ging het steeds over de vraag hoe meer recht gedaan kan worden aan het welzijn, de kennis en de belangen van groepen in achtergestelde posities. Sociaal werkers zien wat er nodig is om deze groepen meer erkenning te bieden en hen te ondersteunen in het vergroten van hun invloed, maar ervaren zelf nog niet altijd de ruimte en het mandaat om te werken aan het collectiviseren en publiek agenderen van achterstelling. Toch krijgt politisering praktisch vorm in het alledaagse werk: in het vermogen om te onderhandelen, posities op te bouwen en soms regels op te rekken. Of, zoals een deelnemer het verwoordde: het vermogen om “een slim spel te spelen” zonder je eigen waarden uit het oog te verliezen.
Dat roept ook fundamentele vragen op. Wie bepaalt wat goed sociaal werk is? Wie heeft het recht om te spreken, te handelen, te organiseren? Ook hier is een uitspraak van een deelnemer veelzeggend: “We worden als partner benoemd, gezien, maar we mogen niet meedenken”. Het raakt aan een bredere vraag: hoe creëer je gelijkwaardigheid in situaties die per definitie ongelijk zijn?
De onderstroom van emoties
Het gezamenlijk leerproces van een CoP is er specifiek op gericht om hands-on tools, ervaringen en werkwijzen uit te wisselen die de deelnemers direct kunnen inzetten in hun eigen werkpraktijk. Er is daarbij ook ruimte om meer belichaamde of impliciete kennis en ervaringsverhalen te delen. Dit gebeurde dan ook regelmatig tijdens de bijeenkomsten en de rol van emoties viel daarbij op. Die waren overal aanwezig. In verhalen over trots en verbondenheid. In de taal van ‘family’ en ‘liefde’. In momenten van kippenvel wanneer iets zichtbaar werd van wat collectief werken kan betekenen. Maar ook in frustratie en twijfel. Over systemen die niet aansluiten. Over de grenzen van wat mogelijk is. Over de vraag hoe dichtbij je mag of kunt komen als professional. Emoties bleken geen bijzaak, maar een essentieel onderdeel van het werk. Ze vormen een bron van motivatie en kennis, maar ook van spanning en risico. Ze maken zichtbaar wat er op het spel staat. Dat werd misschien nergens zo tastbaar als in de CoP bijeenkomst over sociaal schaduwwerk, waar een informele werker werd aangehaald: “Ik ben geen Veilig Thuis, ik ben mevr. A. uit de buurt … en [ik] geef alleen liefde.” Juist die persoonlijke nabijheid bleek een bron van vertrouwen. Mensen weten dat iemand naast hen blijft staan en hen niet zomaar loslaat. Maar dezelfde nabijheid roept ook spanning op. Informele werkers ervaren geregeld wantrouwen van professionele organisaties en overheid en vrezen dat hun betrokkenheid wordt gebruikt als afschuifmechanisme. Hun expertise wordt niet altijd erkend door formele partijen, terwijl ze wel complexe taken en relaties van die partijen overnemen. De emoties die in deze praktijken aanwezig zijn – liefde, trouw, frustratie en soms ook wantrouwen – zijn daarmee niet alleen persoonlijk, maar raken rechtstreeks aan de manier waarop sociaal werk georganiseerd en politiek gewaardeerd wordt.
Een uitnodiging tot verder leren
Na acht bijeenkomsten is er geen afgerond verhaal. Eerder een verzameling ervaringen, inzichten en vragen die verder reiken dan de CoP zelf. Misschien is dat ook precies de waarde ervan. De CoP als plek waar zichtbaar werd wat sociaal werk vandaag de dag is: relationeel, normatief, soms ongemakkelijk, en onvermijdelijk politiek. Het werd ons in deze reeks bijeenkomsten duidelijk dat er geen simpele antwoorden zijn op de vraag hoe structurele mechanismen van armoede, uitsluiting en achterstelling het meest effectief aangekaart kunnen worden door sociaal werkers, maar dat er wel een groeiende taal ontstaat om het gesprek hierover te voeren. Het gaat om een gezamenlijke expeditie richting sociale rechtvaardigheid die nog lang niet klaar is. Elke bijeenkomst laat zien dat er iets ontstaat wat groter is dan de som der delen: een gemeenschap van onderzoekers, praktijk- en beleidsprofessionals die samen zoeken naar manieren om solidariteit en maatschappelijke draagkracht te versterken in een tijd van toenemende druk op publieke voorzieningen.